Opleidingsfunctionaris Jo Geesink verkaste tijdens de eerste coronagolf van het Dienstencentrum naar Panhuys

Hij vierde nog volop carnaval begin dit jaar, maar toen de eerste besmetting het land binnenkwam, wist hij genoeg:het virus gaat zich rap verspreiden. Al snel bleek dat er nood was aan meer zorgcollega’s.“Wij kregen al snel in de gaten dat we de verpleegkundigen en verzorgenden van buitenaf, die jaren niet meer in de zorg hadden gewerkt, moesten helpen om weer in te stromen. We zijn heel erg pro-actief geweest in het maken van leerpaden en lesmaterialen.” 

Hij maakte lange dagen, thuis achter de computer. “Dat is mij vies tegengevallen, niet vanwege het aantal uren, maar dat alleen thuis zitten – al zaten mijn vrouw en twee zonen ook thuis. Je mist toch de informele contacten.” Toen Jo Geesink gevraagd werd om uit te komen helpen bij Panhuys, hoefde hij niet te twijfelen. “Ik heb een verleden in de zorg, ik ben verpleegkundige en mijn zorghart sprak. Thuis voelde ik me machteloos. Later kreeg ik de vraag of het wel verstandig was omdat mijn vader COPD heeft, maar je weet dat er zieken zijn, dat er corona is, dat er gevochten wordt, en je weet dat je iets kunt betekenen."

Volgorde van handelen
Hij begon op paaszaterdag en was er klaar voor om op een afdeling te beginnen. Bijna de helft van de collega’s was ziek en zo’n beetje de helft van de cliënten was verdacht– er kon nog niet worden getest. “Achteraf moet ik zeggen dat ik helemaal niks in de zorg gedaan heb.Ik heb me vooral beziggehouden met de facilitaire kant van de zorg: het regelen van materialen, bestellingen, het maken van looproutes, het aanvullen van voorraden. We konden dit alleen maar doen als we allemaal zouden werken buiten de grenzen van ons eigen werk om. In dat weekend bijvoorbeeld was er niemand van facilitair,de huismeester kon ook geen twintig uur achter elkaar werken dus die had vrij. En ik heb aanvankelijk niks anders gedaan met dan met vuilniszakken en waszakken slepen. Panhuys had een etage als corona-schoon aangemerkt en één als corona-besmet waardoor het de hele tijd mondkapje op en mondkapje af was, lastig zeker als je, zoals ik, steeds met materialen van boven naar beneden moest, daardoor werden meer beschermingsmiddelen gebruikt dus je moest goed nadenken over je volgorde van handelen.”Geesink ontdekte snel hoe angst en emotie bezit kunnen nemen van mensen. En hoe belangrijk protocollen zijn in tijden van crisis. “En toch, wat me het meest is bijgebleven is de betrokkenheid. Iedereen hielp elkaar, je deed wat nodig was. Ik heb er twee maanden gewerkt maar voor mij is Panhuys nog steeds mijn locatie.”

Jo Geesink

Knopen doorhakken
“Ik ben vooral mezelf gebleven, dus heel gestructureerd”,zegt Jo Geesink. “Coördinatie, planning, organiserenen handen uit de mouwen steken, daar hebben we wat aan gehad – hoorde ik terug van collega’s. Ik ben goed in rekenen dus toen er raamvisites kwamen,heb ik meteen een planning gemaakt: zoveel cliënten,zoveel ruimte, we hadden snel een schema. Daarna kwamen de corona-units, de looppaden, de rode en de groene zones; ik werk liever met kleuren dan met termen. Mede dankzij het crisisteam Nicole, Anniek en Ans konden er snel knopen worden doorgehakt.”De coronatijd hakte er behoorlijk in bij de medewerkers ,dat heeft Geesink ook wel gezien. En hij heeft lang genoeg in de zorg gewerkt om te weten dat medewerkers makkelijk over hun eigen grenzen gaan. “Soms moet je iemand tegen zichzelf in bescherming nemen. Ik heb letterlijk mensen in de kraag gepakt en naar buiten gesleurd.”Heeft hij zelf geen angst gehad? “Bij momenten en meer voor mijn familie dan voor mezelf. Zeker later als lid van het testteam. Dan kom je bij cliënten die mogelijk besmet zijn. Maar risico liepen wel allemaal. Dan gaat de verpleegkundigenknop om, het is ons vak. Ik heb me wel aan alle protocollen gehouden.”

Ik heb geleefd
Uiteindelijk keerde hij terug naar het Dienstencentrum.“Misschien mag ik het niet zeggen maar voor mij persoonlijk was corona een prachtige tijd. Natuurlijk was er stress, kwamen er emoties en heb ik soms als een kip zonder kop rond gelopen. Maar je voelde je weer belangrijk, ik ging vooruit, ik heb geleefd.”“Als ik kijk naar Sevagram dan denk ik dat we meer waardering hebben gekregen voor wat iedereen doet. Dat mag van mij ook meer worden uitgesproken. Ik werd op de locatie wel eens aangesproken van: Goh,komen jullie ook eens op een afdeling? Ik snap het wel, we komen misschien ook te weinig op de locaties,maar omgekeerd lijkt het me ook goed dat iedereen zich realiseert wat er allemaal achter de schermen gebeurt. Dus zo’n mobiliteitsweek waar we bij elkaar op de afdeling kijken, heeft voor mij zin, maar ook een Magazine als dit draagt er toe bij dat je meekrijgt watandere afdelingen en collega’s doen.”